UA-77140495-2

Geschiedenis van Mildam

Anderhalf uur gaans

Wie nu Mildam binnenkomt, kan zich moeilijk voorstellen dat het dorp in 1900 werd beschreven als ‘een uit landschappelijk oogpunt prachtig dorpje, “anderhalf gaans van Heerenveen”, aan de bogtende weg van Veenwijk over Annebuorren naar het Oosten. Het is zeer gezellig, noordelijk een heuvelrij van bosschen – ’t Woud – en zuidelijk vergezichten over de Tjongervallei met zijn uiterdijken. ’t Dorp is een rechte buurt, twee rijen huizen, elke rij ± 30 in getal van kerk tot kerk. Men ziet er nog een drietal huizen met de jaartallen 1623, 1692 en 1700. Langs den weg hier – aan het eind van het dorp – eene rij zware eiken, in ’t dorp zelf een dubbele rij, dunner dochs eveneens hoog op stam. ’t Kan een fraaie laan worden.’

En dat was het ook, tot in 1958/59 die fraaie bomen werden gekapt, tot groot verdriet van velen – maar niet van degenen, die aan de noordkant van de Schoterlandseweg woonden. Die kregen nooit een streepje zon in huis en klaagden steen en been over vocht en schimmel…

Tekst overgenomen uit het ‘Prentenboek Mildam’, uitgegeven door Plaatselijk Belang Mildam in het kader van “Simmer 2000”

Een heel oud dorp

In 1408 werd er een Verdrag van Vreede van den Bisschop van Utrecht gesloten met de Vriezen van Stellingwerf, Schoterland en Oosterzeenigen landen. De aan dit vredesverdrag verbonden voorwaarde was dat Suage, Jobbegea, Scueringa, Olde Hoerne, Neye Hoerne, Catlyck, Brumergea en Olde Schoten een aantal Olde Schilden moesten betalen aan Bisschop Frederik van Blankenheim van Utrecht. Dit was achterstallige pacht voor de omstreden hooilanden ten zuiden van de Tjonger. Brumergae moest 50 oude schilden betalen. Mildam werd niet afzonderlijk genoemd in dit vredesverdrag, maar zal als uitbuurt van Brongerga vermoedelijk wel een gedeelte van de oude schilden hebben meebetaald.
Omdat het dorp op een hoge, droge en veilige zandrug ligt, woonden er vermoedelijk al lang voor 1408 mensen. Dat is ook geen wonder, want de infrastructuur was voor die tijd uitstekend. De plaats lag aan een rivier en ook al aan de verkeersweg uit die tijd, die de hoge zandgronden verbond met die van Gaasterland. De Binnenweg in Oude- en Nieuwehorne is een oude Hessenweg, die van Noord-Duitsland richting Utrecht liep. Bij de Kiekenberg zijn sporen van de Trechterbeekcultuur gevonden. Ook rendierjagers hebben in de omgeving geleefd.

Bron: Tresoar, ‘Tusken wâld en wetter’

Eens een commune

In 1853 werden de inwoners van Mildam aangeslagen voor dertien floreenen, voor het onderhoud van de zeedijken. Waterschapsbelasting dus. Hoeveel inwoners daarvoor moesten opdraaien, was ook toen niet bekend, omdat in die tijd de inwoners van Brongerga en Nieuw-Brongerga (nu De Knipe) bij die van Mildam werden geteld. Tezamen waren dat er 1254 in het jaar 1815 en om 1895 zelfs 1764. Toen de cijfers in 1900 uitgesplitst werden en Mildam voortaan apart werd vermeld, bleken daar 458 mensen te wonen.

Wie in de verkoopadvertenties van de notaris soms stuit op een perceel land, kadastraal bekend onder nummer zoveel, gemeente Mildam, treft een overblijfsel aan uit de Franse tijd. Toen was Mildam een aparte commune (gemeente) onder maire (burgemeester) Daniel de Blocq van Scheltinga, die woonde op de Pauwenburg in Brongerga. Die Franse tijd heeft nog meer opgeleverd, want op 24 december 1812 moesten alle inwoners van Mildam voor de maire verschijnen om hun familienaam op te geven. In die tijd vinden we dus voor het eerst officieel een Zwaagstra, Beenen (herbergier), Zoetendal, Kooistra, Van der Honing en verscheidene Heida’s.

Tekst overgenomen uit het ‘Prentenboek Mildam’, uitgegeven door Plaatselijk Belang Mildam in het kader van “Simmer 2000”

Kerken

Nog steeds staat aan het begin van Mildam het oude hervormde kerkje uit de 18e eeuw, dat nu dienst doet als expositieruimte voor verschillende kunstenaars. Een eindje verderop staat de gereformeerde kerk die uit 1857 dateert en nu in gebruik is bij de Samen op Weg-gemeente. In 1603 had Mildam slechts een verwoeste kapel, die echter herbouwd werd met de stenen van een afgebroken kerk in Brongerga. Over recycling gesproken! De herbouw was blijkbaar niet van al te beste kwaliteit, want al in 1726 is er een nieuwe kerk gebouwd en die staat er dus nu nog.

Wat misschien alleen de dorpsoudsten nog weten, is dat er in Mildam vanaf 1610 ook een doopsgezinde kerk is geweest, aan het begin van de Molenlaan. Die was gevestigd in een langgerekt gebouw, waarvan nog een ansichtkaart bestaat. Het waren zeer orthodoxe, streng in de leer zijnde doopsgezinden, de z.g. “Oude Vlamingen”. Jan Jansz. Heida was er de ‘leraar’ van 1722 tot 1763. In 1767 werd deze gemeente gecombineerd met die van Benedenknipe en stond Anne Hohannes bij beide vermaningen op de kansel. Hij werd in 1784 opgevolgd door Jan Tjerks Vermanje, die tot 1799 het ambt vervulde. De gemeente was toen al verlopen en werd in 1806 opgeheven.

De Molenlaan – oorspronkelijk een voetpad naar Oranjewoud-Brongerga – dankt zijn naam aan de molen die er inderdaad heeft gestaan. Bekend is, dat toen in 1794 alle mensen in het kader van de Quotisatie extra inkomstenbelasting moesten gaan betalen – ook toen al – molenaar Jan Gerrits tamelijk welgesteld bleek te zijn. Hij kreeg een aanslag van 46 Carolusguldens en zeven stuivers.

Tekst overgenomen uit het ‘Prentenboek Mildam’, uitgegeven door Plaatselijk Belang Mildam in het kader van “Simmer 2000”

Streekcentrum met twee jaarmarkten

Mildam was van oorsprong een boerendorp en een groot deel van de bevolking werkte in de landbouw, in de veeteelt, als dagloner of handwerksman. Er was weinig armoede en iedereen had wel een volkstuintje, een zogenaamde ‘bouw’. Er waren meerdere winkels en dat is meer dan we nu kunnen zeggen… De plaats had een zekere centrumfunctie, want al in 1682 werd bij de grietman een verzoek ingediend om een jaarmarkt te mogen houden. Dat verzoek werd ingewilligd en in de negentiende eeuw waren er zelfs twee ‘beestenmarkten’. De aanvoer bedroeg zo’n 200 tot 400 dieren. Die stonden in twee lange rijen onder schaduwrijke eiken langs de Schoterlandseweg. Kom daar op Skoattermerke nu eens om… Pas in 1952 heeft de gemeente de jaarmarkten opgeheven.

Tekst overgenomen uit het ‘Prentenboek Mildam’, uitgegeven door Plaatselijk Belang Mildam in het kader van “Simmer 2000”

Hoe komt Mildam aan zijn naam?

Blijft nog het punt waarom Mildam heet zoals het heet. In de Encyclopedie van Friesland uit 1958 wordt als verklaring gegeven: Mildam betekent de middelste dam in de Tjonger. De vraag is echter: waar lagen dan de onderste en de bovenste dam en wat was hun functie?

Er is echter ook een andere verklaring mogelijk. Er bestaat een akte van 10 november 1523, waarin de verkoop van een stuk grond in Brongerga door Brychert Macklis aan ClaesTyedgers wordt beschreven. Daaronder staan ook keurig de namen van de twee getuigen, Hans Gherkens van Ketteleeck (Katlijk) en Licla Gherleffszoon uit Meyledam, zoals Mildam blijkens oude kaarten in die tijd heette. Meyle is de naam van een man, al weten we niet wie dat is geweest. Het feit echter dat die dam in de Tjonger zijn naam te danken zou hebben aan ene Meyle, ligt volgens sommigen meer voor de hand dan die van de drie dammen. In ieder geval een prachtig onderwerp om eens verder over te filosoferen.

Tekst overgenomen uit het ‘Prentenboek Mildam’, uitgegeven door Plaatselijk Belang Mildam in het kader van “Simmer 2000”

Het stoomgemaal aan de Tjongerdijk

Op de plek van het vroegere stoomgemaal staat nu een klein elektrisch gemaal, tegenover de plek waar de Prinsenwijk in de Tjonger komt. Het fietspad volgt daar een bocht van de oude Tjonger. De foto, gemaakt door Gryt Otter, is van ongeveer 1942. De jongeman op de foto is de broer van Gryt. De vader van Gryt, Hidde Otter (1892 – 1968), was de machinist van het stoomgemaal. Daarnaast was hij meteropnemer voor het PEB in Mildam, Katlijk, De Knipe en in ’t Meer. Aan huis had hij een fietsenmakerij en hij was elektriciën. Aan de noordkant van de Tjonger, tegenover het gemaal was een zanddepot, zand van de Provinciale Waterstaat dat uit de Tjonger was gebaggerd. Hidde Otter verkocht dit zand voor de provincie. Vóór zijn trouwen was Otter bij de marine en op de grote vaart, daar werkte hij ook in de machinekamer. Trouwen betekende een baantje aan de wal. Dat was eerst de buterfabryk yn Langwar en later werd hij technische man op Beatrixoord in Appelscha. Daar in Appelscha was de horizon te dichtbij en daarom werd er verkast naar Mildam. Master Woudstra kwam vaak bij de Otters over de vloer. Hidde Otter was een fjildman, met aandacht voor de natuur en de schoolmeester kreeg van hem af en toe uit de Tjonger een ‘monster’, dat, op sterk water gezet, demonstratiemateriaal was in de biologieles op school. Zo had hij wel eens een puitaal (ielpieper) of een grote ‘kwabbe’, een kreeft?

gemaal van gryt otter har heit mei gerrit

Het molentje van Kleefstra

Het land, dat vroeger van de Kleefstra’s was, is tegenwoordig in bezit van de Dienst Landelijk Gebied van het ministerie van Landbouw Natuurbeheer en Visserij. Het lage deel van het land werd bemalen door een zogenoemde windmotor. In maart 2005, kort na de sneeuw, woei het hard. De molen sloeg op hol. Jacob en Griet Schaap zagen dat het niet goed ging; het molentje was niet uit de wind gezet; het woei stuk. Op dit moment is nog niet helemaal zeker of het molentje wordt hersteld en herplaatst. Verwacht wordt dat de afwatering nu gaat lopen via sloten naar het gemaaltje aan de Prinsenwijk.

Vragen:

Wie weet wanneer het gemaal is gesloopt en vervangen door het elektrische gemaal dat er nu staat?
Wat voor vis werd er vroeger gevangen in de Tjonger? Er was immers verbinding met de Zuiderzee?
De kwabbe die bij meester Woudstra op sterk water werd gezet, wat was dat eigenlijk voor een dier? Een echte krab of een (rivier)kreeft?
Wat stond er vóór het stoomgemaal? Een molen? Mail uw antwoord.

Hier is het gemaal aan de Tjonger in aanbouw in het jaar 1918 (foto uit collectie Klaas Woudstra, kopie van afdruk van R. Stoker). De man met de houten hamer is Hielke Lawant. De tweede van rechts, geknield, is Roel Stoker; de man geheel rechts is Jan Looienga.

De vier mannen die links boven op de begane grond staan hebben de handgrepen vast van iets wat op een vijzelpomp lijkt, voor de ontwatering van de bouwput. In de Tjonger ligt een boot voor de wal (wat is de lading?). Er ligt aan de dijk een hoop zand; zou dat ook met het schip zijn aangevoerd of met wagens? Verder liggen er stapels baksteen. Rechts is een deel van een driepoot te zien met mogelijk een heiblok? Wie kan er meer vertellen van wat er op deze foto te zien is?

gemaal in aanbouw mildam verkleind 1918